Onze sponsors
  • An Image Slideshow
  • An Image Slideshow
  • An Image Slideshow
  • An Image Slideshow


Geschiedenis van het geld

(Een rondleiding door het Museum van de Nationale Bank van België.)
 

1. Primitieve betaalmiddelen 6. Papier
2. Metaal 7. Belgische biljetten
3. Offermunten 8. Oorlogsgeld
4. Handel  9. Kunstwerkjes
5. Belgische munten  


 


 1. Primitieve betaalmiddelen

Hoewel het in sommige omstandigheden best mogelijk is iemand in levende kippen, in klompjes zout, in kraaltjes of in rotsblokken te betalen, is dat niet meteen wat we ons voorstellen als “geld”. Toch is het allemaal ooit gebruikt als betaalmiddel. Het woord salaris komt van het Latijnse woord “sal”' (= zout) dat in grote delen van de wereld werd gebruikt als betaalmiddel. Marco Polo (1254 -1324) zag gestempeld zout in China, maar in Ethiopië waren zoutstaven nog tot ver in de twintigste eeuw in voege.
Dat we nu nog spreken van kapitaal en pecuniën komt door de Latijnse woorden ,,caput'' (= hoofd) en ,,pecus'' (= vee); getuigen van de gewoonte om te betalen in kippen, varkens en zelfs ossen. De Trojaanse vorst Priamus moest in de twaalfde eeuw voor Christus nog 300 ossen losgeld betalen voor een van zijn zonen.
Omdat geld dient om een zekere waarde door te geven, is om het even welk zeldzaam voorwerp bruikbaar als betaalmiddel. Het ging aanvankelijk vooral om natuurlijke producten: dierentanden, schelpen, zijde, zeldzame veertjes. De grote schijfvormige steen met een gat komt van het eiland Yap, ten oosten van de Filipijnen. Zijn waarde haalde hij uit de lange en gevaarlijke tocht die de eilandbewoners moesten ondernemen om hem op te halen. Tot een Ierse schipbreukeling in de 19de eeuw aanspoelde op het eiland en een boot ter beschikking stelde om de stenen massaal in te voeren. Een voorbeeld van gelddevaluatie.
Bekender zijn de kauri's of cypraea moneta, porseleinachtige schelpjes, die soms in snoeren, riemen of kleren werden verwerkt. Ze kwamen eerst in China voor, rond 1500 voor Christus, maar Arabische handelaren verspreidden ze over grote delen van de toen bekende wereld. Tot in de zeventiende eeuw werd de waarde ervan genoteerd op de beurs. Het was een ideaal betaalmiddel, want het was niet na te maken, het was precies telbaar, het ging niet gemakkelijk kapot. Daarenboven kwam het uit de zee en had het een bijbetekenis als vruchtbaarheidssymbool.

Terug naar boven
 


2. Metaal

Geld was er dus eeuwenlang in alle maten en vormen. Toch is het geen toeval dat de meeste culturen spoedig metaal gingen gebruiken voor hun handel. IJzer, koper, maar liever nog zilver en goud. Het was kostbaar, want moeilijk te vinden en te bewerken. Daarbij kon je het goed verdelen volgens het gewicht en het was ook zeer duurzaam.
Eerst circuleerde geld in de vorm van gebruiks- en siervoorwerpen, zoals de hoge koperen halsband van de Ngombe in Afrika, die tegelijk de bruidschat was die een familie aan haar aanstaande schoonzoon gaf, versiering voor de bruid op het feest, en symbool van de rijkdom van het nieuwe gezin.
En wapens, natuurlijk. Messen, speren, pijlpunten, hakbijlen. Maar omdat die nogal onhandig waren om op te bergen, ging men ze verkleinen. Zeer oude munten hebben daarom de vorm van zwaarden en hakmessen. Er staat in gestempeld wie de heerser was in wiens territorium het geld gangbaar was. En zo zijn we niet ver meer van munten zoals wij die nog kennen: ronde stukjes min of meer edel metaal met de waarde en een oorsprong erop afgebeeld.
De oudste echte munten in museum, werden vervaardigd in het koninkrijk Lydië (tegenwoordig het westen van Turkije) tussen 650 en 600 voor Christus. Het zijn de zogenaamde staters. Het metaal is elektrum, een natuurlijke legering van goud en zilver. De samenstelling van het metaal schommelde (soms meer goud, soms meer zilver). Als je goed kijkt, zie je stempeltjes in de klompjes staan.
In de vijfde eeuw voor onze tijdrekening leerden onze voorouders goud en zilver scheiden van elkaar. Kort daarop verschijnen de eerste gouden en zilveren munten. Op de oudste exemplaren herkennen we symbolische afbeeldingen: een leeuw die de koninklijke macht voorstelt, een stier die het kwade symboliseert. Munten werden aanvankelijk voornamelijk als offergaven gebruikt in erediensten of om er soldaten mee uit te betalen. Aan het optreden van korenaren en zeeschildpadden op de munten, kun je zien dat ze later ook voor de handel in gebruik kwamen.

Terug naar boven


 3. Offermunten

Griekenland gebruikt zilver, Rome soms ook goud. In de klassieke periode droegen de munten de beeltenis van goden en mythologische helden. Aanvankelijk droegen ze geen datum. Later zijn Romeinse veldheren zichzelf gaan afbeelden op hun geld, met propagandistische bedoelingen. En soms schopten ze het tot keizer van Rome. Je vindt in Brussel mooie stukken met Julius Caesar, Nero, Tiberius en anderen. Rome kwam via Zuid-Italië in contact met de Griekse zilveren munten en nam het materiaal over. En toen het Romeinse Rijk aan zijn teloorgang (lees: economische crisis, geldontwaarding) toe was, groeide de behoefte aan geld. Het zilver werd hoe langer hoe meer met andere metalen vermengd. Sommige ,,zilverlingen'' bevatten maar twee procent echt zilver. Toen was het einde wel nabij.
In onze gewesten namen de Merovingers en de Karolingers de vorm van de Romeinse munten over. Toen Clovis (481-511) zich tot het Christendom bekeerde, verschenen christelijke symbolen op de Frankische munten. Karel de Grote (752-768) zette zijn prachtige monogram op de munten, die hij penningen noemde. Er gingen 240 penningen in een Karolingisch pond. De gewichtseenheid was ook een rekeneenheid. Ze kreeg de afkorting £, naar het Latijnse woord libra. Het pond was verdeeld in 12 schellingen (in het Engels: shilling). Daardoor ontstond het muntstelsel dat nog tot 1971 gangbaar was in Groot-Brittannië.

Terug naar boven


 4. Handel

Vanaf de 13de eeuw kwam er door de bloeiende handel behoefte aan meer en groter geld. Plaatselijke heren en vorsten lieten muntenreeksen van verschillende grootte slaan. Een van de prachtigste is van Lodewijk van Male, graaf van Vlaanderen (1330-1384).
Het idee hadden ze in Florence geleerd. Daar waren de gouden fiorini in voege, wat bij ons vertaald werd tot de gulden of florijn(fl). De waarde van de munten werd bekendgemaakt via plakkaten (affiches) en er zijn ook boekjes bewaard met overzichten van muntstukken.
Maar wie zeker wou zijn van zijn zaak, moest raad vragen aan een wisselaar. Die had een speciale wisselbank, waarvan het Museum van de Nationale Bank een voorbeeld heeft staan. Het woord bank komt daarvandaan.
De munten werden geslagen in ateliers, onder leiding van een muntmeester. Dat begrip bestaat nog steeds: de huidige muntmeester van de Koninklijke Munt van België is Romain Coenen, wiens symbool, een weegschaaltje, op de huidige munten (franken) staat, links van het jaartal. De vorige muntmeester heette De Vogheleer en hij “tekende” met een vogeltje.
De eerste Europese “eenheidsmunt” was een initiatief van Filips de Goede (1396-1467). Zijn vierlander was geldig in Vlaanderen, Brabant, Henegouwen en Holland. Ten tijde van Keizer Karel (1500-1558) kwam er een ware zilver- en goudstroom uit het pas ontdekte nieuwe continent op gang. De munten werden beduidend groter. Filips II (1527-1598) gaf de daalder uit (nog te horen in het woord dollar), de aartshertogen Albrecht en Isabella de patagon, de ducaton en de gouden dubbele souverein. Keizerin Maria Theresia (1717-1780) maakt van Brussel de enige muntplaats van de Oostenrijkse Nederlanden. 

Terug naar boven
 


 5. Belgische munten

De Verenigde Belgische Staten, onze eerste tijdelijke onafhankelijkheid, sloegen in 1790 munten met de Belgische leeuw als beeldenaar. Onder de Franse overheersers werd de frank de geldeenheid. Onder het Hollandse bewind betalen we in guldens, maar wel met een (Brusselse!) B getooid.
In 1932 kiest het Koninkrijk België de frank, van 5 gram zilver en 9/10de fijn'' als geldeenheid. Dertig jaar later behoort ons land bij de eerste die nikkel vermunten. Om het onderscheid te maken met zilveren munten, komt er een gaatje in het midden. In het begin van de jaren dertig verschijnt de belga, gelijk aan vijf frank, als rekeneenheid. Maar die sterft een stille dood. Uit de wereldoorlogen, toen alleen metaal vermunt kon worden dat onbruikbaar was voor de militaire industrie, dateren de zwartgeworden zinken stukken. Omdat de nominale waarde daarvan niets meer met de metaalwaarde had te maken, stond daarop vermeld “goed voor”' vijf frank.

Terug naar boven


 6. Papier

Papiergeld is veel minder oud dan munten. Het is ontstaan toen klanten van wisselagenten het depositobewijs dat ze ontvangen hadden voor het geld dat ze in bewaring hadden gegeven, doorgaven aan derden om zelf iets mee te betalen. Die schuldverbintenissen waren hoe langer hoe meer ,,op zicht'' en vrijwel steeds ,,aan toonder''. Maar in feite waren ze het gevolg van een omwisseling van ontvangstbewijzen tegen contanten. De geldomloop steeg dus niet toen ze werden uitgegeven.
Het oudste van dit soort certificaten komt uit China. In de Ming-dynastie (1368-1644) circuleerden formulieren met een duidelijk omschreven waarde en met een waarschuwing dat vervalsers vervolgd zouden worden. De eerste echte bankbiljetten verschenen in de 17de eeuw. De oudste Europese zijn Zweeds. Er staan acht authentieke handtekeningen op. Van massaproductie was duidelijk nog geen sprake. Oude Noorse biljetten werden bij de uitgifte in tweeën gescheurd. Om de echtheid te controleren, moesten ze op de wederhelft passen, die bij de uitgever bleef. Die praktijk was nog lang gangbaar, ook in ons land, waar biljetten uit een boekje gescheurd moesten worden.
In 1694 werd de Bank of England opgericht. Om de privé-bankiers de wind uit de zeilen te nemen betaalde ze interest op het geld dat je bij haar in bewaring gaf. De Banque de France is van 1800. Nadien werden in de meeste landen centrale banken opgericht.
Papiergeld werd door velen lang niet vertrouwd. Daar was wel enige aanleiding voor. Na de dood van Lodewijk XIV (1638-1715) richtte diens opvolger Lodewijk XV (1710-1774) een financiële chaos aan. Om daar orde in te scheppen, riep hij de Schot John Law naar Frankrijk. Deze goudsmid en gokker was nochtans al eens in een financieel schandaal betrokken in Nederland. Law richtte in Parijs de Banque Générale op, die geld in coupures van 10 tot 100 écu's uitgaf, waarvan de waarde niet door munten was gedekt, maar door potentiële winsten uit de overzeese gebieden. Eigenlijk waren deze biljetten geen geld, maar aandelen. En in een dubieuze firma, want na korte tijd bleek dat de winstverwachtingen op niets gebaseerd waren. Frankrijk stond op de rand van het bankroet. Law, die bevorderd was tot minister van financiën, vluchtte het land uit. 

Terug naar boven
 


 7. Belgische biljetten, spiegels van de tijd

Bij ons bestond sinds het einde van de Oostenrijkse periode de Banque d'Ostende et de Bruxelles. Het publiek had er niet veel vertrouwen in. En nog minder in de assignaten die de Franse bezetter uitschreef om zijn soldaten te betalen. Ze werden in massale hoeveelheden in omloop gebracht, onder dwang door plaatselijke handelaren aanvaard tegen veel te hoge koersen, en terecht beschouwd als ,,gevaarlijk geld''.
In 1822 werd de ,,Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter begunstiging van de Volksvlijt'' opgericht. De latere Société Générale. Ze bracht eigen gulden-biljetten in omloop. Na de onafhankelijkheid werden de biljetten in franken uitgedrukt. Ze waren louter in het Frans gedrukt en in coupures waar de gemiddelde arbeider niets aan had: biljetten van 20 en 1.000 frank, terwijl hij maar twee frank per dag verdiende!
Ook andere banken hadden emissierecht, onder meer de Banque de Belgique, de Banque Liégeoise en de Banque de Flandre. Na de onafhankelijkheid wordt, om niet tussen die concurrenten te moeten kiezen, in 1850 de Nationale Bank opgericht. Die krijgt het monopolie voor de uitgifte van bankbiljetten. De muntstukken worden vervaardigd door het Munthof, sinds 1969 de Koninklijke Munt van België en uitgebracht door de Nationale Bank.
Bankbriefjes zijn niet alleen mooi om naar te kijken. Ze zijn interessant als tijdsspiegel.
Wanneer valsemunters na 1852 gebruik gaan maken van de fotografie, gaat de bank blauw drukken voor haar geld. Van 1894 af krijgen we vierkleurendruk te zien. Sommige biljetten worden geribbeld. In 1887 verschijnt het eerste tweetalige biljet, een coupure van 50 frank. 

Terug naar boven
 


 8. Oorlogsgeld

Uit schrik voor de Eerste Wereldoorlog evacueerde de overheid het Belgische goud. Wie geld had, wilde zijn biljetten nog gauw voor harde munten omruilen. De Nationale Bank trok in paniek de oude biljetten in, en wisselde ze voor biljetten die tijdelijk niet inruilbaar werden. Wie zilvergeld had, potte dat op.
Daarom zagen veel gemeentebesturen en maatschappijen zich genoodzaakt noodbiljetten uit te geven, onder meer om salarissen te kunnen uitbetalen. Soms waren dat kunstig gedrukte biljetten, soms ook gewone getypte velletjes met de beloofde som en de handtekening van de burgemeester of directeur. Ook uit de Tweede Wereldoorlog is nog veel noodgeld bewaard. Van tussen de twee oorlogen zijn de Duitse biljetten die de voorthollende inflatie probeerden bij te houden: briefjes van tweehonderd miljoen Duitse Mark, alsjeblief.
In het museum zijn ook de biljetten te zien die in Duitse concentratiekampen circuleerden. Mooi grafisch vormgegeven, met onder meer een davidsster erop, maar natuurlijk volkomen waardeloos, want er was niets om te kopen. Ze waren bedoeld om waarnemers van het Rode Kruis om de tuin te leiden.
Ook zijn er voorbeelden van de valse ponden die Hitler liet drukken en in grote hoeveelheden boven Engeland wilde laten uitstrooien om daar een gigantische devaluatie op gang te brengen. Volgens sommige bronnen hadden de geallieerden trouwens een identiek plan klaarliggen.

Terug naar boven


 9. Kunstwerkjes

De biljetten van onze tijd munten uit door hun grafisch raffinement. Er wordt papier gebruikt van een hoge klasse, dat een specifiek geluid maakt als je het kreukt. Sommige zones zijn voelbaar: niet alleen de streepjes voor slechtzienden waarmee de waarde wordt uitgedrukt, maar de gehele gravure. De kleuren van de tekening veranderen onder wisselend licht, en wanneer ze worden gekopieerd. Er zijn minuscule teksten, woorden en getallen verwerkt in de tekeningen. Het watermerk is zeer vernuftig: afhankelijk van de lichtinval ziet de verborgen tekening er licht uit op een donkere achtergrond, of omgekeerd. Er zitten veiligheidsdraden in de biljetten verwerkt, en soms staat daar nog eens de waarde op gedrukt.
De laatste vitrines van het museum zijn gewijd aan de series Belgische bankbiljetten, die elkaar snel opvolgden in de tweede helft van onze eeuw. Daartussen hangen ook de briefjes van twintig en vijftig frank, die inmiddels uit de omloop genomen zijn. De aandachtige kijker merkt dat ze niet door de Nationale Bank van België zijn uitgegeven, maar door de ,,Thesaurie'' van het Koninkrijk België. Strikt genomen zijn dit dus geen bankbiljetten, maar papieren munten, zegt de gids. Het zijn ook de enige briefjes van na 1944 die, zoals uit omloop gehaalde munten, hun waarde definitief verloren hebben.
Een kast met betaalkaarten, proton, intelligente chipkaarten en dergelijke meer, heeft de Nationale Bank nog niet. Want als we daaraan beginnen, stappen we een nieuw tijdperk binnen. En eerst moet de euro nog komen. Die ligt in al zijn glorie wel al te kijk.

Terug naar boven